Er zit iets fascinerends in de manier waarop we terugkijken naar de jaren vijftig en zestig. Het was een tijd waarin technologie niet alleen vooruitgang bracht, maar ook verbeelding. In een recente bijdrage in EW Magazine stelt Simon van der Jagt de vraag of we die optimistische technovisie kunnen terugbrengen, en of instituties zoals TNO daarin opnieuw een actievere rol moeten spelen.
Het is een terechte vraag, maar misschien ook de verkeerde. Want de kern zit niet zozeer in wie technologie organiseert, maar in de vraag waarom we er nog in geloven.
Toen technologie nog een verhaal was
De technologische doorbraken van de vorige eeuw waren zelden klein of onzichtbaar. Ze waren tastbaar, herkenbaar en bovenal collectief. Mensen begrepen waar ze onderdeel van waren. De maanlanding was geen technisch project voor een selecte groep ingenieurs, maar een maatschappelijk verhaal dat wereldwijd werd gevolgd. Grote infrastructuurprojecten stonden niet alleen voor beton en staal, maar voor vooruitgang en verbinding. Zelfs de eerste computers werden gezien als een belofte van een betere toekomst.
Dat optimisme kwam niet voort uit naïviteit, maar uit samenhang. Er was richting, er was schaal en er was een gedeeld beeld van waar het naartoe ging. Technologie was niet alleen iets wat gebeurde, maar iets wat betekenis had.
De versnippering van vooruitgang
Anno 2026 is dat beeld fundamenteel veranderd. Technologie is alomtegenwoordig, maar zelden nog collectief beleefd. Innovatie ontstaat niet meer in grote, herkenbare projecten, maar in duizenden kleine stappen die zich gelijktijdig voltrekken. Verspreid over bedrijven, datasets en algoritmes die zich continu aanpassen.
We bouwen sneller dan ooit, maar begrijpen tegelijkertijd minder van het geheel. Kunstmatige intelligentie neemt beslissingen die zelfs voor experts niet altijd volledig te doorgronden zijn. Digitale platformen beïnvloeden gedrag zonder dat iemand precies kan uitleggen hoe. Technologie wordt gelanceerd, opgeschaald en pas daarna, soms, van betekenis voorzien.
Die ontwikkeling maakt vooruitgang abstracter. En juist daardoor wordt het moeilijker om er optimistisch over te zijn.
De reflex: terug naar instituties
In zo’n context is het begrijpelijk dat de roep om instituties weer sterker wordt. Wanneer technologie complex en moeilijk te doorgronden is, ontstaat vanzelf de behoefte aan structuur, duiding en richting. Instituties zoals TNO belichamen die behoefte. Ze staan voor onafhankelijkheid, zorgvuldigheid en publieke waarde.
Toch is de vraag of zij het probleem oplossen dat we eigenlijk proberen te adresseren. Het probleem is immers niet dat we te weinig technologie ontwikkelen. Integendeel, de innovatiekracht is groter dan ooit. Wat ontbreekt, is het grotere verhaal dat die ontwikkelingen met elkaar verbindt.
Innovatie zonder betekenis
Wat vandaag opvalt, is dat technologie steeds vaker functioneel wordt benaderd. We optimaliseren processen, verhogen efficiëntie en bouwen systemen die indrukwekkend presteren. Tegelijkertijd slagen we er minder goed in om uit te leggen wat dat alles betekent voor de samenleving als geheel.
We meten alles, maar vertellen weinig. We bouwen, maar duiden onvoldoende. En precies daar ontstaat een leegte. Want optimisme ontstaat niet uit technologie op zichzelf, maar uit het vermogen om een betere toekomst voor te stellen — en te begrijpen hoe technologie daaraan bijdraagt.
Zonder dat perspectief blijft zelfs de meest geavanceerde innovatie abstract en afstandelijk.
De rol van instituties opnieuw bekeken
Dat betekent niet dat instituties geen rol meer spelen. Integendeel, hun rol kan juist relevanter worden, maar dan op een andere manier dan vaak wordt gedacht. Niet als centrale regisseur van innovatie en ook niet als poortwachter die bepaalt wat wel en niet doorgang vindt.
Hun kracht ligt eerder in het bieden van duiding. In het vertalen van complexe technologische ontwikkelingen naar begrijpelijke verhalen. In het zichtbaar maken van richting, zonder de snelheid van innovatie te remmen. Instituties kunnen helpen om samenhang te creëren in een landschap dat steeds gefragmenteerder wordt.
Optimisme is geen vanzelfsprekendheid
Misschien is dat wel de belangrijkste constatering. Technologisch optimisme is geen automatisch gevolg van vooruitgang. Het ontstaat niet vanzelf wanneer technologie zich verder ontwikkelt. Het vraagt om keuzes.
De keuze om richting te geven aan innovatie. De keuze om technologie niet alleen te bouwen, maar ook uit te leggen. En de keuze om vooruitgang weer onderdeel te maken van een verhaal waarin mensen zich kunnen herkennen.
De vraag
De vraag die Simon van der Jagt stelt, namelijk of instituties een actievere rol moeten spelen, is daarmee zeer relevant. Maar misschien ligt de echte uitdaging ergens anders. Niet in het versterken van bestaande structuren, maar in het herstellen van het vermogen om technologie betekenis te geven.
Want zonder dat verhaal, hoe snel en geavanceerd onze systemen ook worden, blijft het moeilijk om er echt in te geloven.
En misschien is dat wel het grootste tekort van deze tijd.