HBO wordt academischer? Of zijn we de economie kwijtgeraakt?

Er zijn van die discussies die zich razendsnel verspreiden op LinkedIn, vaak verpakt in een licht alarmerende toon. Zo ook de observatie dat hbo-opleidingen “steeds academischer” worden. Het klinkt als een probleem. Alsof er iets verloren dreigt te gaan. Alsof we een generatie praktijkmensen aan het opleiden zijn die straks alleen nog maar theorie kunnen reproduceren.

Maar hoe langer je naar die discussie kijkt, hoe duidelijker het wordt dat we hier niet naar het juiste probleem kijken.

De vraag is namelijk niet of het hbo academischer wordt.

De vraag is of wij nog wel begrijpen wat de economie eigenlijk vraagt.

Een discussie die te makkelijk is

Het beeld dat wordt geschetst is overzichtelijk en daardoor aantrekkelijk. Het hbo hoort praktisch te zijn. Universiteiten horen theoretisch te zijn. Als die werelden naar elkaar toe schuiven, gaat er iets mis. Studenten zouden onvoldoende voorbereid zijn op de praktijk. Werkgevers zouden mensen krijgen die wel kunnen denken, maar niet kunnen doen.

Het klinkt logisch. Maar het is een redenering die uit een andere tijd komt.

Want die scheiding tussen denken en doen is precies wat in de huidige economie aan het verdwijnen is.

In vrijwel iedere sector zie je hetzelfde patroon. Werk wordt data-intensiever. Besluitvorming verschuift van intuïtie naar analyse. Processen worden niet meer periodiek beoordeeld, maar continu gemonitord. En technologie — of het nu dashboards, process mining of machine learning is — dwingt professionals om zowel te begrijpen wat ze doen als waarom ze het doen.

Daarmee verdwijnt de klassieke rolverdeling. De uitvoerder die alleen toepast en de academicus die alleen analyseert bestaan simpelweg niet meer in hun pure vorm.

De moderne professional moet beide zijn.

Data als grote gelijkmaker

Als er één factor is die deze verschuiving versnelt, dan is het data.

Data dwingt tot een ongemakkelijke combinatie van vaardigheden. Je moet begrijpen hoe een model werkt, maar ook hoe het in een proces landt. Je moet weten wat een afwijking statistisch betekent, maar ook wat die afwijking operationeel veroorzaakt. Je moet kunnen interpreteren, maar ook implementeren.

In de wereld van finance en audit zie je dat misschien nog wel het scherpst.

De controller van vandaag bouwt dashboards, automatiseert rapportages en werkt met datasets die groter zijn dan ooit. Tegelijkertijd moet hij begrijpen hoe die cijfers tot stand komen, welke aannames eronder liggen en waar de beperkingen zitten.

De auditor doet data-analyses, kijkt naar volledige populaties en zoekt naar patronen. Maar moet tegelijkertijd oordelen, interpreteren en de context begrijpen waarin die data ontstaat.

Dat is geen keuze tussen praktisch of academisch.

Dat is een hybride vorm van professionaliteit waarin beide onlosmakelijk met elkaar verbonden zijn.

En precies dát verklaart waarom opleidingen naar elkaar toe bewegen.

Niet omdat onderwijs het verkeerd doet.

Maar omdat de werkelijkheid geen onderscheid meer maakt.

Het ongemakkelijke midden

Wat er ontstaat, is een soort ongemakkelijk midden.

Hbo-opleidingen voegen meer theorie toe, omdat de praktijk daarom vraagt. Universiteiten voegen meer praktijk toe, omdat abstractie alleen niet meer volstaat. Studenten bewegen tussen werelden, ontwikkelen een mix van vaardigheden en zoeken naar een profiel dat niet meer netjes in een hokje past.

En daar begint de verwarring.

Want ons systeem — en misschien nog wel meer onze manier van denken — is daar niet op ingericht.

We houden vast aan labels. Aan hiërarchie. Aan het idee dat er een duidelijke ladder bestaat, waarbij universiteit “hoger” is dan hbo. Dat zie je in studiekeuzes, in verwachtingen van werkgevers en in hoe we naar talent kijken.

Maar ondertussen verschuift de inhoud onder onze voeten. En dat levert frictie op.

Status boven inhoud

Als je eerlijk bent, gaat deze discussie maar deels over onderwijs.

Het gaat vooral over status.

Universiteit staat nog altijd voor selectie. Voor intelligentie. Voor een bepaalde vorm van prestige. Het is een signaal, geen inhoudelijke garantie. En precies dat signaal stuurt gedrag. Studenten kiezen door, ook als dat niet altijd past. Instellingen bewegen mee, soms om aantrekkelijk te blijven, soms om relevant te blijven.

En zo ontstaat een beweging waarin hbo-opleidingen academischer worden, deels omdat de arbeidsmarkt dat vraagt, maar deels ook omdat het imago dat verlangt.

Universiteiten doen het omgekeerde. Ze zoeken aansluiting bij de praktijk, introduceren stages, werken met cases en proberen dichter bij de werkelijkheid te komen.

Niet omdat ze hun identiteit willen verliezen, maar omdat ze anders hun relevantie verliezen.

Wat je dus ziet, is geen ontsporing. Je ziet convergentie.

En ondertussen blijft de praktijk achter

En hier wordt het interessant. Want terwijl onderwijs zich aanpast aan een hybride werkelijkheid, blijft de praktijk opvallend vaak achter.

In de accountancy en finance zien we dat dagelijks.

We praten over AI, over data-gedreven werken, over real-time inzicht. Maar in de kern van veel organisaties domineren nog steeds Excel-bestanden, handmatige controles en gefragmenteerde systemen. Data is beschikbaar, maar niet altijd geïntegreerd. Processen zijn ingericht, maar niet altijd ontworpen voor analyse.

De ambitie is hoog. De uitvoering blijft achter.

En dat maakt de discussie over “te academisch onderwijs” bijna wrang.

Want we leiden mensen op die beter in staat zijn om met data te werken, om modellen te begrijpen en om processen te analyseren — maar plaatsen ze vervolgens in omgevingen die daar nog niet op ingericht zijn.

Of nog scherper:

we leiden professionals op voor een economie die nog niet volledig bestaat.

De echte kloof

De kloof zit dus niet tussen hbo en universiteit. De kloof zit tussen opleiding en praktijk.

Niet omdat opleidingen de verkeerde kant op bewegen, maar omdat organisaties moeite hebben om mee te bewegen. Omdat digitalisering vaak fragmentarisch is. Omdat systemen niet op elkaar aansluiten. Omdat data nog te vaak wordt gezien als bijproduct in plaats van als kern van het proces.

En misschien ook wel omdat we als beroepsgroep — zeker in de accountancy — te lang hebben vastgehouden aan bestaande werkwijzen.

We hebben dashboards gebouwd bovenop oude processen. We hebben technologie toegevoegd zonder het fundament te veranderen. We hebben gesproken over innovatie, maar vaak binnen de grenzen van wat al bestond.

En nu kijken we naar het onderwijs en vragen we ons af of dat niet te ver vooruitloopt.

Terug naar de kern

Misschien moeten we de vraag omdraaien.

Niet: wordt het hbo te academisch?

Maar: sluiten wij als praktijk nog wel aan op wat nodig is?

Want als je eerlijk kijkt naar de richting waarin de economie zich ontwikkelt, dan is de behoefte duidelijk. We hebben professionals nodig die kunnen denken én doen. Die data begrijpen én toepassen. Die modellen kunnen interpreteren én de realiteit kunnen doorgronden waarin die modellen functioneren.

Dat vraagt om een ander type opleiding, maar vooral om een andere praktijk.

Een ongemakkelijke conclusie

De discussie over de academisering van het hbo voelt als een symptoom.

Een symptoom van een systeem dat nog vasthoudt aan oude indelingen, terwijl de inhoud al veranderd is. Een systeem dat zoekt naar houvast in labels, terwijl de werkelijkheid vraagt om flexibiliteit. En misschien ook wel een systeem dat moeite heeft om te erkennen dat de grootste verandering niet in het onderwijs zit, maar in hoe we werken.

Want de waarheid is simpel en ongemakkelijk tegelijk. Het probleem is niet dat het hbo academischer wordt. Het probleem is dat wij nog niet volledig data gedreven werken.

En zolang dat zo is, blijven we discussies voeren over het verkeerde onderwerp.

Abonneer
Laat het weten als er
guest
0 Commentaren
Inline feedbacks
Bekijk alle reacties