Eén bedrijf failliet, hoeveel bedrijven betalen de rekening?

Wanneer een onderneming failliet gaat, kijken we vooral naar het bedrijf dat omvalt. Naar werknemers, schulden, de curator en een mogelijke doorstart. Veel minder zichtbaar zijn de leveranciers die achterblijven met openstaande facturen en soms een aanzienlijk financieel verlies.

Juist de gevolgen van een faillissement voor leveranciers verdienen meer aandacht. Want achter één faillissement kan een compleet netwerk van ondernemingen zitten dat de financiële schok moet opvangen. Met betere data over betalingsgedrag, openstaande vorderingen en ontwikkelingen in betaaltermijnen kunnen we die risico’s mogelijk eerder zichtbaar maken.

We meten faillissementen tot achter de komma. Maar wat weten we eigenlijk over de ondernemers die met de schade achterblijven?

Een klant gaat failliet. Voor de buitenwereld is dat vooral het verhaal van het bedrijf dat omvalt: hoeveel werknemers verliezen hun baan, hoeveel schuld blijft achter, is een doorstart mogelijk en wat kan de curator nog redden?

Aan de andere kant van iedere openstaande factuur zit echter ook een ondernemer die misschien al tien jaar producten of diensten levert, de mensen binnen het bedrijf kent en erop vertrouwde dat een factuur na dertig dagen gewoon zou worden betaald. Totdat dertig dagen langzaam vijfenveertig werden, daarna zestig en uiteindelijk misschien wel negentig.

In eerste instantie is daar vaak nog een verklaring voor. Er is sprake van tijdelijke liquiditeitskrapte, een grote klant die zelf te laat betaalt of financiering die bijna rond is. Misschien volgt een betalingsregeling en ondertussen blijft de leverancier leveren, want een jarenlange relatie beëindig je niet zomaar wanneer het een keer tegenzit.

Dat verandert op het moment waarop het faillissement wordt uitgesproken en een openstaande vordering van €20.000, €50.000 of misschien wel €100.000 ineens weinig meer waard blijkt.

Voor het failliete bedrijf begint dan een formeel proces met een curator, schuldeisers en mogelijk een doorstart, terwijl voor de leverancier vooral de vraag resteert hoeveel van de schade nog kan worden teruggehaald.

We tellen wie omvalt

Nederland beschikt over uitgebreide statistieken over faillissementen. We weten hoeveel bedrijven failliet gaan, in welke sectoren ze actief zijn en hoe de ontwikkeling zich verhoudt tot eerdere maanden en jaren. CBS registreert maandelijks het aantal uitgesproken faillissementen en publiceert daarover naar bedrijfstak, waardoor we nauwkeurig kunnen volgen of het aantal faillissementen toe- of afneemt.

Die cijfers vertellen vooral wie er omvalt en veel minder over de bedrijven die eromheen staan en een deel van de financiële klap moeten opvangen. Hoeveel leveranciers blijven na een gemiddeld faillissement met een vordering achter, hoe groot zijn die bedragen en welk deel wordt uiteindelijk terugbetaald? Misschien nog belangrijker is de vraag wat zo’n verlies betekent voor de onderneming die zelf helemaal niet failliet is.

Daar ontstaat een merkwaardige blinde vlek. We kunnen vrij precies tellen hoeveel bedrijven failliet gaan, maar veel moeilijker vaststellen hoeveel andere bedrijven door die faillissementen financieel worden geraakt en hoe groot die schade uiteindelijk is.

Als leverancier ben je ook financier

Dat is relevant omdat een groot deel van het Nederlandse bedrijfsleven op handelskrediet draait. Leveranciers leveren eerst en worden later betaald, een werkwijze die zo vanzelfsprekend is geworden dat we nauwelijks nog stilstaan bij het feit dat een leverancier daarmee feitelijk krediet verstrekt aan zijn klant.

Uit onderzoek van kredietverzekeraar Atradius blijkt dat een groot deel van de Nederlandse B2B-verkopen op krediet plaatsvindt en dat betalingsachterstanden veel voorkomen. Zolang klanten uiteindelijk betalen, functioneert dat systeem prima. Zodra een onderneming in financiële problemen raakt, wordt echter zichtbaar waar een deel van de financiering vandaan kwam: niet alleen van banken en aandeelhouders, maar ook van tientallen of soms honderden leveranciers die nog op hun geld wachten.

Wanneer een klant zijn betaaltermijn van dertig naar zestig dagen laat oplopen, creëert hij daarmee feitelijk extra financieringsruimte ten koste van de liquiditeit van zijn leverancier. Als vervolgens ook die zestig dagen niet worden gehaald, verschuift een steeds groter deel van het liquiditeitsprobleem naar andere ondernemingen.

Achter één faillissement zit een netwerk

Een faillissement is economisch gezien daarom veel meer dan één bedrijf dat ophoudt te bestaan. Stel dat een onderneming failliet gaat met tweehonderd leveranciers. Een groot deel heeft misschien relatief kleine bedragen openstaan, terwijl twintig leveranciers substantiële vorderingen hebben. De ene onderneming verliest €10.000, een andere €40.000 en een kleinere leverancier misschien €100.000.

Voor een groot bedrijf is een verlies van €40.000 mogelijk vervelend maar beheersbaar. Voor een onderneming met een jaarwinst van €150.000 betekent hetzelfde bedrag dat meer dan een kwart van het resultaat waarvoor een heel jaar is gewerkt in één keer verdwijnt.

Bovendien hoeft het effect niet bij die afboeking te stoppen. Een ondernemer kan besluiten een investering uit te stellen, minder personeel aan te nemen of zelf betalingen later te doen. Een leverancier die toch al weinig financiële ruimte had, kan door het faillissement van een belangrijke klant zelfs zelf in problemen komen. Financiële stress kan zich op die manier door een netwerk van ondernemingen verspreiden.

Bij banken spreken we al snel over systeemrisico en besmettingsgevaar. Bij gewone ondernemingen kijken we veel minder vaak op die manier naar de onderlinge afhankelijkheid, terwijl ook daar financiële problemen van de ene onderneming uiteindelijk gevolgen kunnen hebben voor een hele keten van andere bedrijven.

Waar is de data over de collateral damage?

Juist daar wordt het vanuit data-oogpunt interessant, want hoeveel weten we eigenlijk over deze tweede ring rond een faillissement?

Idealiter zouden we niet alleen willen weten hoeveel ondernemingen failliet gaan, maar ook hoeveel schuldeisers daardoor worden geraakt, hoe groot hun vorderingen zijn, welk percentage daarvan uiteindelijk wordt terugbetaald en hoe groot het verlies is ten opzichte van omzet, resultaat en beschikbare liquiditeit van die ondernemingen.

Vervolgens zou je willen weten wat er daarna gebeurt. Investeren getroffen leveranciers het jaar erna minder, nemen ze minder personeel aan, verslechtert hun eigen betalingsgedrag of neemt zelfs de kans toe dat zij binnen enkele jaren zelf in financiële problemen komen?

Met dergelijke informatie ontstaat een heel ander beeld van faillissementsrisico. Een faillissement is dan niet langer alleen een datapunt over één onderneming, maar een gebeurtenis binnen een economisch netwerk waarin financiële schade zich kan verspreiden.

Juist die netwerkdata is veel moeilijker beschikbaar. We hebben goede statistieken over het aantal faillissementen en verschillende onderzoeken naar betalingsgedrag, maar de verbinding tussen een failliet bedrijf, zijn individuele schuldeisers en de gevolgen voor die bedrijven is veel minder zichtbaar. Daardoor bestaat het risico dat we de werkelijke economische schade van faillissementen onderschatten.

De negatieve spiraal staat soms al maanden in de data

Er zit nog een andere kant aan dit verhaal. Een faillissement kan voor een leverancier als een verrassing komen, terwijl in de betalingsdata mogelijk al maanden eerder een verandering zichtbaar was.

Een klant betaalde jarenlang gemiddeld na 32 dagen, waarna dat langzaam 38 dagen werd, vervolgens 47 en uiteindelijk 63. Er verschijnen deelbetalingen, een factuur wordt betwist die eerder zonder discussie zou zijn betaald of er komt een verzoek om een betalingsregeling terwijl ondertussen nieuwe opdrachten worden verstrekt.

Afzonderlijk kunnen dit allemaal verklaarbare gebeurtenissen zijn. Wanneer ze zich gedurende langere tijd gezamenlijk voordoen, kan uit de tijdreeks echter een patroon ontstaan dat aanleiding geeft om beter naar de ontwikkeling van een klant te kijken.

Veel organisaties gebruiken hun debiteurenadministratie vooral om vast te stellen wie er nog moet betalen. Dezelfde data kunnen zij ook gebruiken om te analyseren bij welke klanten het betalingsgedrag structureel verandert. Daarvoor zijn niet direct ingewikkelde AI-modellen nodig. De ontwikkeling van de gemiddelde betaaltermijn, de omvang van het openstaande saldo, de ouderdom van facturen, de frequentie van betalingsherinneringen, deelbetalingen en afwijkingen ten opzichte van historisch gedrag kunnen samen al een behoorlijk beeld geven.

Daarmee kan debiteurendata naast een hulpmiddel voor incasso ook een vroegtijdig waarschuwingssysteem worden.

Vertrouwen laat zich niet zomaar in een dashboard vervangen

Daarmee is het probleem natuurlijk niet opgelost, omdat ondernemen niet alleen om data draait, maar minstens zo veel om relaties en vertrouwen.

Juist bij een klant waarmee jarenlang is samengewerkt, is het moeilijk om bij de eerste betalingsachterstand de kraan dicht te draaien. Je kent de ondernemer, begrijpt dat het tijdelijk tegen kan zitten en wilt een goede commerciële relatie niet beschadigen.

Bovendien hoort het bij ondernemen dat je soms naast een klant blijft staan wanneer het even moeilijk gaat.

Daar zit tegelijkertijd iets wrangs in. Hoe langer en beter de relatie, hoe groter de bereidheid kan zijn om iemand extra tijd te geven. Het vertrouwen dat jarenlang de basis vormde voor de samenwerking kan er daardoor onbedoeld voor zorgen dat de financiële schade uiteindelijk groter wordt.

Data hoeft dat vertrouwen niet te vervangen, maar kan wel aanleiding geven om eerder het gesprek te voeren. Een klant die een enkele keer na 45 dagen betaalt, hoeft helemaal geen probleem te hebben. Wanneer dezelfde klant jarenlang na 30 dagen betaalde en daar vervolgens structureel 45, 60 en uiteindelijk 75 dagen over doet, vertelt de ontwikkeling iets wat je als ondernemer in ieder geval wilt begrijpen.

Misschien kijken we naar de verkeerde faillissementsstatistiek

Wanneer een groot bedrijf failliet gaat, gaat de aandacht begrijpelijkerwijs uit naar de werknemers, de schulden, de curator en de mogelijkheden voor een doorstart. Een paar maanden later verdwijnt het faillissement meestal weer uit de actualiteit, terwijl de financiële gevolgen bij leveranciers nog lang kunnen doorwerken.

Die ondernemingen staan de volgende ochtend immers nog gewoon ingeschreven bij de Kamer van Koophandel. Er wordt geen curator aangesteld en er verschijnt geen extra regel in de faillissementsstatistieken. De ondernemer boekt een vordering af, vangt het liquiditeitsverlies op en probeert vervolgens verder te gaan met zijn bedrijf.

Juist daar komt een deel van de werkelijke economische schade van een faillissement terecht, zonder dat we die schade goed terugzien in de statistieken waarmee we faillissementen volgen.

Misschien zouden we daarom naast de vraag hoeveel bedrijven failliet gaan ook moeten onderzoeken hoeveel gezonde ondernemingen het financieel raakt wanneer een ander bedrijf omvalt. Dan kijken we niet alleen naar het bedrijf dat uit het economische netwerk verdwijnt, maar ook naar alle bedrijven die binnen datzelfde netwerk de schok moeten opvangen.

Want pas wanneer we ook die bedrijven zichtbaar maken in de data, krijgen we een completer beeld van wat een faillissement werkelijk kost.

Abonneer
Laat het weten als er
guest
0 Commentaren