Nieuwe technologie krijgt veel aandacht door wat afzonderlijke drones, robots en AI-modellen kunnen. De ontwikkelingen in Oekraïne laten tegelijkertijd zien hoe belangrijk de samenhang tussen technologieën is. Onbemande grondvoertuigen worden er bijvoorbeeld ingezet voor logistiek, evacuatie, verkenning en aanvallen, terwijl hun functioneren afhankelijk blijft van communicatie, sensoren, operators en andere systemen.
Diezelfde systeemgedachte is relevant voor AI en informatiesystemen binnen organisaties. Een intelligent model creëert weinig waarde wanneer de onderliggende data niet betrouwbaar is, systemen slecht met elkaar communiceren of niemand weet welke actie op een uitkomst moet volgen. De interessante vraag is daarom niet alleen hoe slim AI wordt, maar hoe goed technologie, data, processen en mensen met elkaar verbonden zijn.
De oorlog in Oekraïne is inmiddels ook een technologisch laboratorium geworden. Geen prettige constatering, maar wel een realiteit. Drones worden er al lang niet meer alleen gebruikt om beelden te maken. Ze zoeken doelen, verstoren communicatie, vervoeren materiaal en worden zelf als wapen ingezet.
Nu gaat het nog een stap verder. Oekraïne experimenteert met vliegende drones die kleine grondrobots achter Russische linies kunnen afzetten. Die robots kunnen vervolgens verder bewegen en worden onder meer ingezet tegen vijandelijke posities.
Het beeld spreekt natuurlijk tot de verbeelding: een drone vliegt over de linies, zet ergens een robot neer en die vervolgt zijn weg naar een doel. Maar juist daardoor dreigen we misschien naar het verkeerde te kijken. Want zonder informatie over waar hij heen moet, zonder verbinding, zonder verkenning en zonder mensen die bepalen wat er vervolgens moet gebeuren, is zo’n grondrobot uiteindelijk gewoon een apparaat op wielen.
Wat ik interessant vind aan de ontwikkelingen in Oekraïne, is hoe verschillende technologieën steeds verder met elkaar worden verbonden. Drones verzamelen informatie, sensoren en beelden leveren data en communicatiesystemen zorgen ervoor dat die informatie beschikbaar komt. Tegelijkertijd probeert elektronische oorlogsvoering de informatievoorziening van de tegenstander te verstoren.
Grondrobots kunnen vervolgens worden ingezet voor bevoorrading, verkenning of aanvallen. Artillerie kan op basis van nieuwe informatie worden gericht en uiteindelijk moeten mensen bepalen wat er met al die informatie gebeurt. Dan wordt de vraag hoe intelligent één afzonderlijke drone of robot precies is ineens een stuk minder interessant. De kracht ontstaat juist doordat verschillende onderdelen elkaar versterken.
En precies daar zie ik een parallel met organisaties die momenteel druk bezig zijn met data en AI.
Dat hebben we vaker gedaan. Eerst moest iedereen een dashboard hebben, vervolgens wilden organisaties data driven worden, daarna kwam blockhain en inmiddels gaat vrijwel ieder technologiegesprek over AI, copilots en agents. Steeds zit daar min of meer dezelfde verwachting achter: als we de nieuwe technologie implementeren, worden we vanzelf slimmer, sneller en beter.
Zo werkt het natuurlijk niet.
Een dashboard maakt een organisatie niet data driven en een AI-model maakt een organisatie niet intelligent. Het wordt pas interessant wanneer technologie onderdeel wordt van de manier waarop een organisatie informatie verzamelt, analyseert, beoordeelt en uiteindelijk gebruikt om iets te doen.
Neem een CFO-organisatie. Daar begint het vaak bij ERP-systemen, CRM, bankgegevens, productiegegevens en allerlei andere databronnen. Die data kan worden gecontroleerd, gecombineerd en geanalyseerd. Dashboards kunnen afwijkingen zichtbaar maken en AI kan patronen herkennen, informatie samenvatten of mogelijke verklaringen aandragen. Maar uiteindelijk moet er ergens iets gebeuren.
Als niemand iets met die informatie doet, hebben we vooral een technologisch indrukwekkende keten gebouwd die eindigt bij een beeldscherm. De werkelijke waarde ontstaat pas wanneer betrouwbare data leidt tot analyse, analyse tot inzicht, inzicht tot menselijk oordeel en dat oordeel uiteindelijk tot een beslissing en actie.
En daarna begint het proces opnieuw, want die actie levert weer nieuwe data op.
Dat is voor mij het interessante aan het voorbeeld uit Oekraïne. Niet omdat we het bedrijfsleven met oorlog moeten vergelijken, en al helemaal niet omdat technologische ontwikkeling in een oorlog iets is om enthousiast over te worden. Maar onder zulke extreme omstandigheden wordt wel genadeloos zichtbaar of technologie daadwerkelijk functioneert.
Een fantastisch algoritme zonder betrouwbare data helpt weinig. Een robot zonder verbinding evenmin. Informatie die te laat beschikbaar komt, kan waardeloos zijn. En hetzelfde geldt uiteindelijk voor een prachtig dashboard waar niemand iets mee doet.
We zoeken intelligentie misschien te vaak ín de technologie zelf, terwijl een groot deel van de werkelijke intelligentie juist ontstaat in de samenhang tussen technologie, data, processen en mensen. De kwaliteit van de verbindingen bepaalt of informatie op tijd beschikbaar komt, verschillende bronnen kunnen worden gecombineerd en uiteindelijk een betere beslissing kan worden genomen.
Dat klinkt minder spectaculair dan de nieuwste AI-agent. Maar voor organisaties is het waarschijnlijk een stuk belangrijker.
Dat is ook waarom ik moeite heb met de enorme nadruk op de vraag hoe intelligent AI inmiddels is. Natuurlijk worden modellen beter. Ze kunnen steeds meer en gaan ongetwijfeld veel organisaties veranderen. Maar een steeds intelligenter model lost een slecht georganiseerd informatiesysteem niet automatisch op.
Wanneer de onderliggende data niet klopt, verantwoordelijkheden onduidelijk zijn, systemen niet goed met elkaar communiceren en niemand precies weet welke beslissing op basis van een uitkomst moet worden genomen, zetten we vooral een heel slimme technologie boven op een rommelig proces.
Ik denk dat organisaties daarom wat minder tijd moeten besteden aan de vraag wat AI inmiddels allemaal kan en wat meer tijd aan de vraag hoe hun totale informatiesysteem eigenlijk werkt.
Waar komt onze data vandaan? Kunnen we die vertrouwen? Hoe snel is relevante informatie beschikbaar? Wie beoordeelt de uitkomst? Wanneer grijpen we in? En kunnen we achteraf nog reconstrueren waarom een bepaalde beslissing is genomen?
Dat zijn minder sexy vragen dan praten over agents en generatieve AI. Maar juist daar wordt volgens mij bepaald of al die nieuwe technologie daadwerkelijk waarde gaat toevoegen.
Bij Coney Minds gebruiken we tot kort de gedachte Human Intelligence Empowering Data. Met alle ontwikkelingen rond AI vind ik die eigenlijk alleen maar relevanter worden.
Technologie kan steeds meer waarnemen, verwerken, analyseren en uitvoeren. Daardoor verandert ook de rol van mensen. Soms kan technologie mensen volledig uit een gevaarlijke, routinematige of tijdrovende stap halen. Maar dat betekent niet automatisch dat de mens uit het systeem verdwijnt.
De menselijke bijdrage verschuift steeds meer naar het ontwerpen en begrijpen van dat systeem, het beoordelen van uitzonderingen, het stellen van de juiste vragen en het meewegen van context. En uiteindelijk blijft er ook zoiets bestaan als verantwoordelijkheid voor de beslissing die wordt genomen. Misschien is dat uiteindelijk de interessantste les van zo’n kleine grondrobot ergens achter de Russische linies.
Op het eerste gezicht zien we vooral een nieuwe technologie. Als we iets verder kijken, zien we een compleet systeem van data, sensoren, communicatie, verschillende technologieën, processen en mensen dat ervoor zorgt dat die robot überhaupt iets kan betekenen. Daarom moeten we precies zo naar AI binnen organisaties kijken.
Niet vragen hoe slim de robot is, maar hoe slim het systeem eromheen is.