Wordt AI slimmer, of worden wij steeds makkelijker voor de gek gehouden?

Het FD publiceerde onlangs een artikel met een opvallende vraag: moeten we eigenlijk wat vriendelijker zijn tegen AI? De aanleiding is dat sommige onderzoekers en technologen speculeren over een toekomst waarin geavanceerde AI-systemen mogelijk eigenschappen ontwikkelen die doen denken aan gevoelens, bewustzijn of een vorm van zelfbeleving.

Dat klinkt als een onderwerp dat rechtstreeks uit een sciencefictionfilm afkomstig is, maar inmiddels wordt het ook in serieuze technologische en wetenschappelijke kringen besproken. Toch bleef bij mij na het lezen van het artikel vooral een andere vraag hangen. Niet of AI ooit gevoelens zal ontwikkelen, maar waarom wij als mensen zo graag willen geloven dat dat misschien al gebeurt.

De discussie zegt namelijk waarschijnlijk minder over kunstmatige intelligentie dan over menselijke intelligentie.

Van software naar digitale collega

Wanneer je terugkijkt naar de afgelopen twintig jaar valt op hoe sterk de taal rondom technologie is veranderd. Organisaties schaften vroeger software aan om administratieve processen te ondersteunen, gegevens te verwerken of rapportages te genereren. De relatie tussen mens en systeem was helder. De gebruiker gaf opdrachten en de software voerde deze uit.

Vandaag spreken we over digitale assistenten, copilots, AI-agents en zelfs digitale collega’s. Moderne AI-oplossingen krijgen menselijke namen, communiceren in natuurlijke taal, onthouden voorkeuren, maken grapjes en reageren soms met een vorm van empathie die verrassend overtuigend kan overkomen. De interactie voelt daardoor fundamenteel anders dan de interactie met traditionele software.

Dat is geen toevallige ontwikkeling. Technologiebedrijven investeren enorme bedragen om AI-systemen toegankelijker, vriendelijker en menselijker te laten lijken. Vanuit commercieel perspectief is dat ook logisch. Een organisatie koopt immers liever een slimme assistent die kan meedenken dan een statistisch model dat waarschijnlijkheidsberekeningen uitvoert. Een digitale collega klinkt aantrekkelijker dan een geavanceerd softwarepakket. Het gevolg is echter dat steeds meer gebruikers vergeten wat er zich daadwerkelijk achter die vriendelijke interface bevindt.

De grootste innovatie zit misschien niet in AI

De indrukwekkende ontwikkeling van AI staat buiten kijf. De prestaties van moderne taalmodellen zijn op veel gebieden ronduit verbluffend. Tegelijkertijd vraag ik mij regelmatig af of de grootste innovatie van de afgelopen jaren niet zozeer in de technologie zelf zit, maar in onze bereidheid om technologie menselijke eigenschappen toe te kennen.

Steeds meer mensen bedanken ChatGPT na een gesprek. Anderen bieden hun excuses aan wanneer zij een vraag onvriendelijk hebben geformuleerd. Kinderen voeren gesprekken met spraakassistenten alsof zij met een klasgenoot praten. Volwassen professionals verwijzen naar AI-systemen als collega’s of teamleden die een bijdrage leveren aan projecten.

Dat gedrag is op zichzelf niet nieuw. Psychologen kennen dit verschijnsel al tientallen jaren onder de naam antropomorfisme: het toekennen van menselijke eigenschappen aan niet-menselijke objecten. Mensen hebben dat altijd gedaan. We geven namen aan onze auto’s, praten tegen huisdieren alsof zij ons volledig begrijpen en worden soms zelfs boos op een computer die niet doet wat wij verwachten.

AI vormt de nieuwste stap in dat proces, maar nu op een schaal die we nooit eerder hebben gezien.

Het risico van menselijke eigenschappen

Het probleem ontstaat wanneer menselijke eigenschappen worden verward met menselijke capaciteiten. Een chatbot die vriendelijk reageert, voelt betrouwbaar. Een AI-systeem dat zelfverzekerd antwoord geeft, voelt deskundig. Een digitale assistent die empathisch klinkt, wekt de indruk dat hij begrijpt wat er speelt.

In werkelijkheid zegt geen van die kenmerken iets over de kwaliteit van de onderliggende analyse, de juistheid van de uitkomst of de betrouwbaarheid van het systeem. Een taalmodel dat uiterst overtuigend communiceert, kan nog steeds volledig verkeerde conclusies trekken. Sterker nog, juist de combinatie van overtuigend taalgebruik en feitelijke onjuistheden maakt moderne AI soms zo verraderlijk.

Binnen de accountancy, consultancy en financiële dienstverlening zie je datzelfde mechanisme terug. Naarmate AI-systemen beter worden in communiceren, ontstaat het risico dat gebruikers minder kritisch worden op de inhoud. De presentatie wordt dan onbewust verward met kwaliteit.

Dat is opmerkelijk, want bij menselijke collega’s zouden we precies het tegenovergestelde doen. Een collega die altijd uiterst zelfverzekerd is maar regelmatig fouten maakt, zouden we waarschijnlijk juist extra kritisch beoordelen.

Waarom willen we zo graag geloven?

Misschien ligt daar wel de meest interessante vraag van allemaal. Waarom willen we eigenlijk zo graag geloven dat AI meer is dan software?

Een deel van het antwoord ligt vermoedelijk in onze fascinatie voor intelligentie. Mensen zijn al eeuwenlang bezig met de vraag wat denken, bewustzijn en intelligentie precies zijn. Zodra een systeem gedrag vertoont dat daar enigszins op lijkt, ontstaat automatisch de neiging om er meer achter te zoeken.

Een ander deel van het antwoord ligt waarschijnlijk in marketing. De technologie-industrie heeft ontdekt dat termen als AI-agent, digitale collega en copiloot veel aantrekkelijker klinken dan statistisch model, patroonherkenning of probabilistische voorspeller. Dat is begrijpelijk vanuit commercieel perspectief, maar het vervaagt wel het onderscheid tussen wat een systeem daadwerkelijk doet en hoe het wordt gepresenteerd.

Daardoor ontstaat een situatie waarin steeds meer mensen spreken over AI alsof het een zelfstandige entiteit is, terwijl het in essentie nog steeds gaat om software die patronen herkent in enorme hoeveelheden data.

De verkeerde discussie

De discussie over de gevoelens van AI is daarom misschien niet de discussie die we op dit moment zouden moeten voeren. Terwijl kranten en sociale media zich bezighouden met de vraag of een chatbot zich ooit beledigd kan voelen, worstelen organisaties met veel concretere uitdagingen. Hoe beschermen we vertrouwelijke gegevens? Hoe controleren we de betrouwbaarheid van AI-uitkomsten? Hoe voorkomen we ongewenste bias? Hoe houden we toezicht op steeds autonomer opererende AI-agents? En hoe zorgen we ervoor dat menselijke verantwoordelijkheid niet ongemerkt verdwijnt achter een scherm vol intelligente suggesties?

Dat zijn vraagstukken die vandaag spelen en die directe gevolgen hebben voor organisaties, medewerkers, klanten en toezichthouders.

Een gezonde dosis nuchterheid

Misschien is de meest verstandige houding daarom een combinatie van enthousiasme en nuchterheid. De mogelijkheden van AI zijn indrukwekkend en zullen de komende jaren ongetwijfeld verder toenemen. Tegelijkertijd is het verstandig om niet te vergeten dat achter al die vriendelijke antwoorden, menselijke namen en overtuigende gesprekken uiteindelijk nog steeds technologie schuilgaat.

Of AI ooit gevoelens ontwikkelt, weet niemand. De kans is groot dat daar nog vele jaren van onderzoek en discussie overheen gaan. Tot die tijd lijkt het mij verstandiger om onze aandacht vooral te richten op de vraag hoe wij als mensen met deze technologie omgaan.

Want als er één conclusie uit de huidige AI-hype getrokken kan worden, dan is het misschien wel deze: de snelheid waarmee AI zich ontwikkelt is indrukwekkend, maar de snelheid waarmee mensen menselijke eigenschappen aan technologie toekennen blijkt minstens zo fascinerend.

En dat zegt uiteindelijk misschien meer over onszelf dan over AI.

Abonneer
Laat het weten als er
guest
0 Commentaren