Wie de discussies rondom ChatNL op LinkedIn volgt, krijgt al snel de indruk dat het project zijn oordeel inmiddels heeft gekregen. Gebruikers plaatsen screenshots van antwoorden, vergelijken deze met ChatGPT of Claude en trekken vervolgens de conclusie dat de Nederlandse AI tekortschiet. De reacties variëren van teleurgesteld tot ronduit spottend. Dat levert vermakelijke discussies op, maar tegelijkertijd bekruipt ons het gevoel dat er een belangrijkere vraag onder tafel verdwijnt. Voordat we kunnen beoordelen of ChatNL succesvol is of niet, moeten we immers eerst begrijpen welk probleem het initiatief probeert op te lossen.
Dat klinkt misschien als een semantische discussie, maar het verschil is wezenlijk. Wanneer ChatNL is ontwikkeld met de ambitie om OpenAI, Anthropic, Google of Meta rechtstreeks te beconcurreren, dan is de scepsis begrijpelijk. De bedragen die deze ondernemingen jaarlijks investeren in kunstmatige intelligentie overstijgen iedere Nederlandse onderzoeksinspanning met een veelvoud. Het gaat niet alleen om geld, maar ook om toegang tot talent, infrastructuur, datasets en rekenkracht. Vanuit dat perspectief zou het vreemd zijn om te verwachten dat een Nederlands initiatief binnen enkele jaren hetzelfde prestatieniveau bereikt als de wereldwijde marktleiders.
Toch is het maar de vraag of dit ooit de bedoeling is geweest. De discussie wordt namelijk vrijwel volledig gevoerd vanuit het perspectief van de eindgebruiker die een vraag stelt aan een chatbot. Dat perspectief is begrijpelijk, maar tegelijkertijd beperkt.
De geschiedenis van technologie leert dat strategische investeringen vaak een ander doel dienen dan het direct leveren van het beste consumentenproduct. Universiteiten bouwen onderzoeksreactoren niet omdat zij de goedkoopste elektriciteit willen produceren. Overheden investeren in ruimtevaart niet omdat zij verwachten de volgende commerciële luchtvaartmaatschappij te worden. Soms gaat het om kennisontwikkeling, soms om innovatiekracht en soms om het voorkomen van een afhankelijkheid die op termijn ongewenst kan blijken.
Juist dat laatste argument verdient naar onze mening meer aandacht. Europa heeft zich de afgelopen twintig jaar ontwikkeld tot een economie die voor een groot deel afhankelijk is geworden van technologie die elders wordt ontwikkeld. Zoekmachines, cloudplatformen, sociale media, smartphones en digitale advertentienetwerken worden grotendeels gecontroleerd door ondernemingen buiten Europa. Dat heeft jarenlang nauwelijks tot discussie geleid, omdat de voordelen van deze technologieën groter waren dan de nadelen.
De opkomst van kunstmatige intelligentie maakt die afweging echter complexer. Naarmate AI dieper doordringt in publieke dienstverlening, gezondheidszorg, onderwijs, rechtspraak en bedrijfsvoering, ontstaat vanzelf de vraag hoeveel controle een samenleving wil behouden over technologie die steeds bepalender wordt voor economische en maatschappelijke processen.
Vanuit dat perspectief krijgt ChatNL een andere betekenis. Het project hoeft dan niet noodzakelijk de slimste chatbot van Europa te worden om relevant te zijn. Het kan ook worden gezien als een investering in onderzoek, talentontwikkeling, kennisopbouw en technologische autonomie. Dat betekent overigens niet dat iedere kritiek ongegrond is. Integendeel. Wanneer publieke middelen worden ingezet, mag de samenleving verwachten dat helder wordt gemaakt welke doelstellingen worden nagestreefd en hoe succes wordt gemeten. Op dat punt blijft de discussie rondom ChatNL opvallend vaag.
Veel Nederlanders weten inmiddels dat het project bestaat, maar veel minder mensen weten waarom het bestaat. Misschien verklaart dat ook waarom de discussie zo gemakkelijk verzandt in vergelijkingen tussen antwoorden van verschillende chatbots.
Wanneer de doelstelling onduidelijk blijft, ontstaat vanzelf de neiging om succes uitsluitend te meten aan de kwaliteit van de gegenereerde tekst. Daarmee wordt echter voorbijgegaan aan de strategische vraag die onder de oppervlakte ligt. Niet of ChatNL vandaag beter presteert dan ChatGPT, maar of Nederland en Europa zich kunnen veroorloven om volledig afhankelijk te worden van technologie die elders wordt ontwikkeld, gefinancierd en gecontroleerd.
Dat is een aanzienlijk interessantere discussie dan de vraag welke chatbot deze week een promptwedstrijd heeft gewonnen.