De afgelopen weken verscheen een opvallend bericht in de media: in Nederland overleden in 2024 en 2025 méér mensen dan tijdens de coronajaren. Dat was niet wat demografen, beleidsmakers of economen hadden verwacht. Corona zou een tijdelijke dip zijn geweest, gevolgd door normalisatie. In plaats daarvan zien we een structureel hoger sterfteniveau.
Het nieuws werd vooral geduid vanuit volksgezondheid en zorg. Begrijpelijk, maar daarmee missen we een belangrijk perspectief. Want achter deze cijfers schuilt een arbeidsmarktsignaal dat nauwelijks wordt besproken, laat staan dat het wordt meegenomen in economische modellen.
De stille verschuiving achter de sterftecijfers
Wie de cijfers van Centraal Bureau voor de Statistiek bekijkt, ziet geen plotselinge schok zoals in 2020, maar iets subtielers en daarmee gevaarlijkers: een structurele verschuiving. De oversterfte concentreert zich niet uitsluitend bij de alleroudsten, maar raakt juist ook de groep waar de arbeidsmarkt steeds afhankelijker van is: vijftigplussers en begin zestigers.
Dat is precies de groep die de afgelopen tien jaar stilzwijgend een cruciale rol heeft gekregen. Niet alleen als ervaren professionals, maar ook als buffer tegen krapte. Langer doorwerken, latere pensionering, kennisoverdracht op de werkvloer, het zijn allemaal aannames die diep in ons arbeidsmarktdenken zijn verankerd.
De impliciete veronderstelling daarbij was: mensen blijven niet alleen langer werken, ze blijven ook langer gezond genoeg om te werken.
Die aanname staat wellicht nu onder druk.
Arbeidsmarktmodellen kijken nog steeds te rooskleurig vooruit
De meeste arbeidsmarktprognoses , van CPB tot sectorale verkenningen , bouwen voort op demografische projecties die uitgaan van geleidelijke vergrijzing, maar niet van structureel hogere sterfte na corona. Dat is geen fout, maar wel een blinde vlek.
Sterfte is in modellen vaak een achtergrondvariabele. Iets wat “meeloopt” met bevolkingsontwikkeling. Maar zodra sterfte afwijkt van het verwachte patroon, werkt dat direct door in het arbeidsaanbod. Niet lineair, maar schoksgewijs. Er verdwijnen niet alleen mensen, er verdwijnen ook ervaring, productiviteit en informele stabiliteit in teams.
Vooral in sectoren waar vergrijzing al ver gevorderd is denk aan zorg, onderwijs, overheid, techniek; kan dit effect groter zijn dan de instroom van jongeren ooit kan compenseren.
Van personeelstekort naar ervaringsschaarste
We praten graag over krapte in aantallen. Te weinig handen. Te weinig fte’s. Maar het echte probleem verschuift ongemerkt naar ervaringsschaarste.
Een hogere sterfte onder oudere werkenden betekent dat organisaties niet alleen vacatures moeilijk ingevuld krijgen, maar ook kennis versneld verliezen. Dat raakt juist de functies waar AI, automatisering en data-analyse volgens veel beleidsstukken de oplossing zouden zijn.
Maar AI vervangt geen vakvolwassenheid. Het kan ondersteunen, versnellen en structureren, maar alleen als de kennis er nog is om het goed toe te passen en te interpreteren.
De paradox is pijnlijk: juist nu we steeds meer leunen op technologie om arbeidstekorten op te vangen, verdwijnt een deel van de menselijke laag die nodig is om die technologie verantwoord in te zetten.
Zorg, arbeid en productiviteit: een versterkend effect
De stijgende sterfte staat niet los van gezondheid. Integendeel. Chronische aandoeningen, uitgestelde zorg, mentale belasting en leefstijl spelen allemaal een rol. Dat betekent dat de arbeidsmarkt niet alleen wordt geraakt door overlijden, maar ook door een groeiende groep mensen die wel leeft, maar minder inzetbaar is.
Voor werkgevers en beleidsmakers is dit een ongemakkelijke realiteit. Het klassieke beeld van “we werken allemaal een paar jaar langer” schuift langzaam richting een minder prettig scenario: een arbeidsmarkt waarin mensen wel langer leven, maar minder gezond doorwerken, en sommigen zelfs eerder uitvallen dan verwacht.
Dat zet druk op productiviteit, op loonkosten en op sociale zekerheid. En vooral: op het tempo waarin organisaties zich kunnen aanpassen.
Wat zegt de data?
Dit onderwerp verdient geen morele paniek en geen simplistische verklaringen. Het verdient data-analyse. Niet alleen van sterftecijfers, maar van samenhang.
Wat gebeurt er als we sterfte koppelen aan leeftijd, sector, regio en beroepsgroep? Welke sectoren verliezen disproportioneel veel ervaring? Waar ontstaan kennislacunes die niet zichtbaar zijn in vacaturestatistieken?
Dit is typisch zo’n thema waar dashboards tekortschieten, maar waar goede data-analyse juist waarde toevoegt. Niet om te voorspellen wie er overlijdt, dat mag en kan niet, maar om te begrijpen waar onze aannames niet meer kloppen.
Arbeidsmarktbeleid loopt achter de realiteit aan
Het ongemakkelijke slot van dit verhaal is dat veel arbeidsmarktbeleid nog steeds uitgaat van lineaire trends. Meer automatisering. Meer participatie. Meer uren. Meer ouderen die langer doorwerken.
De sterftecijfers laten zien dat de werkelijkheid rommeliger is. Minder voorspelbaar. En dat vraagt om ander denken. Niet alleen over pensioenen en zorg, maar ook over hoe organisaties omgaan met kennisborging, opleiding en realistische inzetbaarheid.
Wie deze cijfers wegzet als “toeval” of “nasleep van corona”, mist het punt. Dit is geen incident. Dit is een signaal.
Data dwingt tot herijken
Misschien is dit wel de kernles voor iedereen die met data werkt: cijfers die niet passen bij je model zijn geen ruis, maar feedback. De stijgende sterfte na corona is zo’n datapunt. Ongemakkelijk, maar informatief.
Voor de arbeidsmarkt betekent het dat we minder moeten rekenen op vanzelfsprekende rek in het systeem. En meer moeten investeren in robuustheid: kennisdeling, realistische werkdruk, en eerlijke verwachtingen over wat mensen langdurig kunnen dragen.
Niet alles is op te lossen met technologie. En niet alles laat zich voorspellen. Maar wie de data serieus neemt, ziet dat de arbeidsmarkt van morgen minder maakbaar is dan we lang dachten.
En dat is precies waarom dit onderwerp thuishoort op TheDataConnection.