Cogito ergo sum (Ik denk, dus ik ben)! – René Descartes
Tegenwoordig worden mediakanalen overspoeld met berichten over kunstmatige intelligentie (AI) en de impact daarvan op onze samenleving, werkgelegenheid, het onderwijs en onze manier van werken. Het staat buiten kijf dat technologische ontwikkelingen al deze gebieden transformeren. Maar voordat we kunnen beoordelen hoe deze ontwikkelingen ons beïnvloeden, moeten we eerst begrijpen wat kunstmatige intelligentie eigenlijk is.
Voordat we iets als AI bestempelen, wil ik eerst stilstaan bij wat vaak als ‘AI’ wordt aangeduid, en dit verbinden met iets dat we technologisch nog totaal niet begrijpen: ons bewustzijn. Maar daarvoor moeten we eerst drie belangrijke vragen stellen:
Intelligentie
Intelligentie is een mentale eigenschap met veel verschillende functies, zoals het vermogen om overeenkomsten en verschillen waar te nemen, het vermogen zich in de ruimte te oriënteren, het kunnen redeneren, het kunnen plannen en het vermogen problemen te doorgronden en op te lossen. (bron Wikipedia)
Er zijn negen vormen van intelligentie:
‘The types of intelligence’ door Mark Vital
Al sinds de jaren ’50 proberen wetenschappers machines te ontwikkelen die de functies van ons brein nabootsen, zodat we de verschillende vormen van intelligentie kunnen toepassen. Maar in de afgelopen 60 jaar waren noch de rekenkracht noch de opslagcapaciteit van computers toereikend om ook maar in de buurt te komen van de parallelle processen van ons brein of de toepassing van kennis in uiteenlopende situaties. Vandaag de dag zijn de berichten over AI niet meer weg te denken. Echter moeten we eerst begrijpen wat AI is voordat we ons kunnen storten op het begrijpen van het verschil tussen Human en Artificial Intelligence.
Voor we AI zien als de heilige graal voor elke organisatorische uitdaging moeten we het eerst ontleden. AI is de som der delen. En zelfs áls we die delen ooit zouden kunnen combineren tot één oplossing (en dat is een grote als), dan nog krijgen we slechts een primitieve kopie van onze hersenfuncties. Het zou nog steeds een door mensen gevoed systeem zijn, zonder (zelf)bewustzijn. Volgende keer dat je over AI leest, kijk dan eens kritisch naar wat er precies mee bedoeld wordt. Vaak is het slechts één techniek of een combinatie van enkele die onder de noemer “AI” wordt gepresenteerd.
Ik nodig je uit om met een kritischere blik te kijken en verder onderzoek te doen over het onderwerp. Zoek naar het signaal en laat je niet gek maken door de ruis van de AI-hype.
We proberen dus al meer dan 50 jaar hersenfuncties te imiteren. Inmiddels boeken we vooruitgang en noemen we het ‘intelligentie’. Maar kunnen we AI echt vergelijken met menselijke intelligentie? Laten we eens kijken waarom die vergelijking mank gaat:
Computers zijn:
Mensen zijn:
Het antwoord op de voorgaande vraag is: het is simpelweg onjuist om AI met de menselijke geest te vergelijken. Ze hebben misschien overlappende functies, maar het zijn fundamenteel verschillende dingen.
De toekomst van de mensheid zal afhangen van AI, maar er niet aan ten onder gaan. De oplossingen voor kanker, veiligheid, mobiliteit en duurzaamheid liggen binnen dit ontzagwekkende domein van technologie.
AI blinkt uit in het verwerken van enorme hoeveelheden data, maar niet in abstract denken. Mensen excelleren in situaties waarin abstract noodzakelijk is, maar verwerken data slecht.
Geen van deze uitspraken beweert dat kunstmatige intelligentie, als we het überhaupt zo mogen noemen, superieur is aan het menselijk brein, of andersom. Het punt is juist: het zijn fundamenteel verschillende dingen. En dat is iets moois.
Kunstmatige intelligentie is enorm goed in uitvoeren van repetitieve, duidelijk gekaderde taken, waarbij data de grenzen aangeven, maar zeer slecht bij algemene taken die intuïtie en besluitvorming vereisen op basis van ontbrekende of onvolledige informatie.
Daarentegen blinkt menselijke intelligentie juist uit in die situaties waarin gezond verstand en abstracte oordeelsvorming nodig zijn. En veel minder in het verwerken van grote hoeveelheden data.
Wanneer we beide analyseren, kunnen we concluderen dat kunstmatige intelligentie de menselijke intelligentie versterkt en ondersteunt bij taken die buiten het menselijke specialisme vallen. Ze vullen elkaar aan, verbeteren elkaar, en maken samen dingen mogelijk die geen van beide afzonderlijk kunnen realiseren.
Op basis van deze verschillen wil ik concluderen: noch machines, noch mensen zullen in hun eentje voor vooruitgang zorgen. Maar door samenwerking, waarbij we per taak afwegen wie (mens of machine) het meest geschikt is om deze met efficiëntie en nauwkeurigheid uit te voeren, kunnen we tot goede beslissingen en oordelen komen. Maar er is nog iets dat kunstmatige intelligentie wezenlijk begrenst: het gebrek aan bewustzijn.
Alles wat beschreven kan worden, alle processen, functies en systemen waarvoor data van hoge kwaliteit beschikbaar is, zal uiteindelijk geautomatiseerd worden. Maar daarin schuilt precies het probleem: de meeste bedrijfsprocessen zijn sterk afhankelijk van impliciete kennis en menselijke intelligentie, of beter gezegd, kennis die zich in de hoofden van medewerkers bevindt.
De data is vaak niet gecentraliseerd, niet gestandaardiseerd en van matige kwaliteit. In zo’n context is het vrijwel onmogelijk om iets goed te beschrijven, laat staan te voorspellen. Zelfs als we alle stukjes van de puzzel bijeenbrengen en slimme software ontwikkelen om de toekomst te definiëren, visualiseren, voorspellen en adviseren, blijft de uitkomst het product van menselijke input. Kunnen we dat dan echt ‘intelligentie’ noemen? Of is het slechts een simulatie van versterkte intelligentie, afgeleid van het menselijk brein?
Machines kunnen pas intelligent worden als ze bewust worden. En voor bewustzijn is zelfbewustzijn nodig. Dus laten we ons eerst verdiepen in zelfbewustzijn, voordat we onze vingers branden aan AI.
Is een worm zelfbewust? Een hommel? Voelt Siri of Alexa iets als je een vraag stelt, of als ze een taak voor je uitvoert?
De wetenschap zoekt al sinds we begonnen met schrijven naar een verklaring voor het mysterie ‘bewustzijn’. Ondanks alle technologische vooruitgang hebben we nog steeds geen sluitend antwoord op de vraag wat het is of waar het vandaan komt.
Kunnen we dan ooit een intelligente en zelfbewuste machine creëren? Om die vraag te beantwoorden, hebben we het volledig ecosysteem van wetenschappers nodig: van psychologen, cognitiewetenschappers en filosofen tot IT-ingenieurs, datawetenschappers en meer. Want wat we willen weten is: kan een machine daadwerkelijk denken zoals een mens, of bootst het slechts dat denken na, zonder enig bewustzijn?
Stel dat we erin slagen om een perfecte replica van het menselijk brein in software te bouwen: zelfs dan zou het geen bewustzijn hebben. Het zou ontworpen en geprogrammeerd zijn om hersenfuncties na te bootsen, niet om te ervaren. Zelfs als we hersenfuncties kunnen simuleren, blijft het een digitale simulatie. Zelfs als de technologische vooruitgang het ons in de komende decennia mogelijk maakt om bewustzijn na te bootsen in een computer, zal die computer niets ervaren. Wat er plaatsvindt, zijn enkel elektrische impulsen die over circuits springen, en niets meer.
Mijn conclusie is dan ook: zeggen dat AI een bedreiging vormt, komt vaak voort uit menselijke onzekerheden, en dezelfde bias die we terugzien in algoritmes die we vaak niet eens volledig kunnen doorgronden. In plaats van doemscenario’s te schetsen, zouden we ons beter kunnen richten op hoe deze nieuwe technologische fase de mensheid kan versterken. Denk aan verbeteringen in gezondheidszorg, mobiliteit, onderwijs, voedselvoorziening, en meer. Want uiteindelijk draait het om mens én machine. Niets minder, niets meer.

Website: Amir Sabirović – Medium
Dit artikel is eerder gepubliceerd: Artificial Intelligence, Sanity Check | by Amir Sabirović | Medium