Het bericht lijkt overzichtelijk en bijna technisch van aard.
Havoleerlingen zakken vaker voor hun eindexamens dan andere groepen. De verklaring die wordt gegeven, is dat de havo steeds meer is gaan lijken op een verdund vwo-programma. Zie het artikel op Nu.nl. Een mooie data-analyse van de redactie van Nu.nl
Dat klinkt als een discussie over niveau, curriculum en slagingspercentages.
Maar wie er iets langer bij stil staat, ziet volgens mij ook dat er iets anders speelt. Dit gaat niet over intelligentie of inzet. Dit gaat over een systeem dat ongemerkt verandert, terwijl we doen alsof alles hetzelfde is gebleven.
Wat er gebeurt als leren van karakter verandert
Soms zie je een ontwikkeling pas echt scherp als hij dichtbij komt. Mijn dochter zit op de havo. Ze komt van het gymnasium, een omgeving waarin begrijpen, analyseren en verbanden leggen vanzelfsprekend waren. Waar leren niet alleen ging over wat je wist, maar vooral over hoe je dacht.
En dan, een treetje lager, kom je in een systeem waarin het accent verschuift. Waar het minder gaat om het doorgronden van materie en meer om het beheersen van stof. Waar succes steeds vaker samenhangt met het vermogen om informatie op het juiste moment te reproduceren.
Dat is geen waardeoordeel mij betreft, maar een observatie. Het is stampen om het stampen, toets na toets.
Alles voelt anders. Omdat het voor mijn dochter om een andere manier van leren vraagt, voelt alles moeilijker, en je begrijpt het al; 3 havo was tot heden dit jaar geen succes.
Het midden beweegt, en niemand benoemt het
De havo zit in het midden van het onderwijssysteem. En juist in dat midden zie je vaak als eerste dat er iets verschuift. Aan de ene kant is er de druk om aan te sluiten bij het vwo, met meer abstractie en theoretische diepgang. Aan de andere kant blijft de structuur van het systeem grotendeels hetzelfde.
Het gevolg is een subtiele, maar ingrijpende verandering. De inhoud schuift op, maar de manier van leren blijft achter. Verwachtingen veranderen, maar de route ernaartoe (de stamproute) wordt niet opnieuw ontworpen.
En dan ontstaat er spanning. Niet omdat leerlingen tekortschieten, maar omdat het systeem iets van hen vraagt wat niet expliciet wordt gemaakt.
De ongemakkelijke parallel met AI
Wat zich hier afspeelt, is geen geïsoleerd onderwijsvraagstuk.
Dezelfde dynamiek zien we terug in organisaties die steeds intensiever gebruikmaken van data en AI. We bouwen systemen die sneller, slimmer en krachtiger zijn dan ooit. We verwachten dat mensen daar direct mee kunnen werken. Dat ze sneller begrijpen, sneller beslissen en sneller oordelen.
Maar we staan nauwelijks stil bij wat dat vraagt van het leerproces. Net als in het onderwijs verschuift de lat, terwijl de weg ernaartoe ongewijzigd blijft.
En opnieuw ontstaat er frictie. Niet omdat mensen het niet kunnen, maar omdat we impliciet andere vaardigheden vragen zonder ze expliciet te ontwikkelen.
Toegang is nog geen begrip
Zowel in het onderwijs als in de wereld van technologie maken we een vergelijkbare denkfout. We gaan ervan uit dat toegang tot informatie automatisch leidt tot begrip. Dat als kennis beschikbaar is, deze ook wordt verwerkt. Dat betere tools vanzelf leiden tot betere beslissingen.
Maar leren werkt niet zo.
Begrip ontstaat niet door beschikbaarheid, maar door ervaring. Door herhaling, door fouten en door het zien van voldoende variatie om patronen te herkennen.
Dat proces vraagt tijd en aandacht. En precies die elementen staan onder druk.
Wat deze ontwikkeling zichtbaar maakt
Het verhaal over havoleerlingen die vaker zakken, is daarmee geen op zichzelf staand feit. Het is een signaal van iets groters.
Een signaal dat systemen sneller veranderen dan de mensen die erin moeten functioneren.
Dat verwachtingen verschuiven zonder dat we expliciet maken wat dat betekent voor leren, denken en ontwikkelen. Dat heeft gevolgen. Niet alleen voor leerlingen, maar voor hoe wij als samenleving omgaan met kennis, technologie en vakmanschap.
De vraag die onder alles ligt
Uiteindelijk draait het om een eenvoudige, maar fundamentele vraag.
Wat willen we dat mensen leren?
Willen we dat ze informatie kunnen reproduceren, of dat ze begrijpen wat ze doen? Willen we snelheid, of diepgang? Willen we output, of inzicht? Die vraag speelt niet alleen in het klaslokaal.
Ze speelt net zo goed in de boardroom, op de werkvloer, ofwel in elke organisatie die werkt met data en technologie. En misschien is dat wel de echte waarde van dit soort berichten.
Niet de cijfers zelf, maar wat ze ons laten zien over hoe wij systemen ontwerpen en wat we daarin soms uit het oog verliezen.