Het opiniestuk van Michiel Bakker in NRC afgelopen weekend leest (weer) als een waarschuwing die je serieus zou moeten nemen. De toon is urgent, de referenties zijn indrukwekkend, en de boodschap is helder: artificial general intelligence komt eraan, Nederland is niet voorbereid, en we moeten nú handelen. Maar wie het stuk rustig terugleest, ziet vooral een klassiek patroon: een technologische ontwikkeling wordt uitvergroot tot een maatschappelijke omwenteling, zonder dat de tussenliggende stappen overtuigend worden gemaakt.
De aanleiding is concreet genoeg. Anthropic introduceert een systeem dat in staat is om een computer te bedienen zoals een mens dat doet. Dat is een interessante stap in de ontwikkeling van AI, zonder meer. Maar wat vervolgens gebeurt, is kenmerkend voor het hele betoog: vanuit deze observatie wordt in een paar alinea’s doorgeredeneerd naar een wereld waarin kenniswerk fundamenteel verandert, organisaties op hun kop staan en een vorm van AGI binnen handbereik ligt. Die sprong is groot, en vooral: hij wordt niet onderbouwd, maar verondersteld.
Daarmee raakt het stuk aan een bredere misvatting die vaker terugkomt in discussies over AI. Technologische vooruitgang binnen een afgebakend domein – in dit geval softwareontwikkeling – wordt behandeld alsof die automatisch doorwerkt naar alle andere vormen van werk. Dat is een verleidelijke gedachte, maar ook een gevaarlijke. Software is bij uitstek een omgeving waarin taken digitaal, gestructureerd en toetsbaar zijn. Veel andere vormen van kenniswerk spelen zich af in een werkelijkheid die minder eenduidig is: met incomplete informatie, tegenstrijdige belangen en een constante noodzaak tot interpretatie. Juist daar zit de kern van professioneel handelen, en precies dat laat zich niet reduceren tot het uitvoeren van losse handelingen op een computer.
Het artikel benoemt dat AI inmiddels in staat is om afzonderlijke taken uit te voeren – een contract analyseren, een rapport samenvatten, een spreadsheet bouwen – en suggereert vervolgens dat het verbinden van die stappen de laatste hobbel is. Maar in de praktijk is dat geen technische, maar een organisatorische en inhoudelijke uitdaging. Werk bestaat niet uit een optelsom van acties, maar uit samenhang: weten wat relevant is, begrijpen wat er speelt, en beslissingen nemen waarvoor iemand verantwoordelijkheid draagt. Dat zijn geen randverschijnselen van werk, maar de kern ervan.
De verwijzing naar AGI versterkt dat patroon. Het begrip wordt geïntroduceerd als een logische volgende stap: een systeem dat op menselijk niveau functioneert in vrijwel alle cognitieve taken. Dat klinkt indrukwekkend, maar blijft abstract. Wat betekent “menselijk niveau” in een context waarin doelen veranderen, informatie onvolledig is en uitkomsten zelden eenduidig zijn? En belangrijker nog: wat betekent het als systemen wel taken uitvoeren, maar geen verantwoordelijkheid dragen? Die vragen blijven buiten beeld, terwijl juist daar de echte discussie zou moeten plaatsvinden.
Opvallend is ook de centrale stelling dat Nederland “niet klaar is”. Het is een krachtige formulering, maar inhoudelijk leeg zolang niet duidelijk wordt waarvoor we precies niet klaar zijn. Voor technologie die al jaren wordt ontwikkeld en stap voor stap wordt toegepast? Of voor een scenario waarin kenniswerk in korte tijd grotendeels verdwijnt? Het artikel schuift ongemerkt van het eerste naar het tweede, en creëert daarmee een gevoel van urgentie dat meer gebaseerd is op aannames dan op analyse.
Wat daarbij volledig onderbelicht blijft, is hoe traag en weerbarstig organisaties in werkelijkheid veranderen. Zelfs wanneer technologie beschikbaar is, duurt het jaren voordat systemen goed op elkaar aansluiten, processen worden heringericht en mensen het vertrouwen hebben om anders te werken. Governance, regelgeving en cultuur spelen daarin een minstens zo grote rol als technologie zelf. De geschiedenis van digitalisering laat keer op keer zien dat de bottleneck zelden ligt bij wat technisch mogelijk is, maar bij wat organisatorisch haalbaar blijkt.
Dat maakt de oproep tot een “maatschappelijk gesprek” ergens ironisch. Niet omdat zo’n gesprek onnodig is, maar omdat het stuk zelf de complexiteit van dat gesprek omzeilt. De relevante vragen gaan niet over de snelheid van technologische ontwikkeling of de datum waarop AGI mogelijk zou verschijnen. Ze gaan over hoe we beslissingen nemen in een omgeving waarin systemen steeds meer invloed krijgen, hoe we verantwoordelijkheid organiseren en hoe we voorkomen dat gemak het wint van begrip. Dat zijn minder spectaculaire vragen, maar wel de vragen die er werkelijk toe doen.
De kracht van het artikel zit in het gevoel dat wordt overgebracht: dat er iets gaande is dat groter is dan de optelsom van technologische verbeteringen. Dat gevoel is begrijpelijk en deels terecht. Maar gevoel is geen analyse. En zolang we ons laten leiden door metaforen als “golven” en uitspraken over een samenleving die “niet klaar is”, lopen we het risico dat we de verkeerde discussie voeren.
AI zal onmiskenbaar impact hebben. Maar niet omdat het als een natuurkracht over ons heen komt. De impact ontstaat in hoe we technologie toepassen, hoe we werk organiseren en hoe scherp we blijven nadenken over wat we uit handen geven en wat niet. Wie dat onderscheid niet maakt, ziet vooral versnelling. Wie beter kijkt, ziet vooral dat de werkelijkheid een stuk weerbarstiger is dan het verhaal.